Boekbesprekingen

Een ervaringsdeskundige veldprediker
door Jonathan Verwey, uit Indies tijdschrift 2019 #0



In 1954 verscheen de roman Niet iedere soldaat sneuvelt van de hand van Job Sytzen. Later in de jaren vijftig volgden nog Gods ravijn en Landgenoten. Alle drie deze werken gaan over de fictieve belevenissen van Nederlandse militairen eind jaren veertig in Indonesië. Commercieel waren ze een doorslaand succes: volgens Poeze werden er maar liefst 200.000 exemplaren van verkocht. Minder bekend is wie de man achter het pseudoniem Job Sytzen was: dominee Jac. Jonker, oudste zoon van een predikant uit Wormerveer en zelf ervaringsdeskundige van de oorlog in Indonesië. Als veldprediker was Jonker van 1946 tot 1948 tweeënhalf jaar actief bij verschillende eenheden. Hij wist, kortom, waar hij het over had.
Harry Poeze heeft in Dominee Jac. Jonker, Job Sytzen en de soldaat in Indië het leven van Jonker (1904−1973) gereconstrueerd, van diens jaren als predikant in het Groningse Zuidbroek en later Amsterdam-Zuid tot zijn uitzending naar Indonesië en zijn laatste jaren in Australië, waar hij preekte voor een kleine gemeenschap van Nederlandse immigranten. Daarnaast behandelt hij de Job Sytzen-trilogie apart en besluit hij het boek met een overzicht van verschillende vergelijkbare ‘Indische soldatenromans’ van auteurs van zeer diverse pluimage.
Poeze heeft voor dit alles nog geen 120 pagina’s nodig, maar hij slaagt er tegelijkertijd niet in om verder te komen dan een droge en soms ronduit saaie opsomming van historische gebeurtenissen, samenvattingen van romans en citaten. Hij snijdt wel degelijk interessante en relevante thema’s aan, maar blijft in de bespreking daarvan te veel aan de oppervlakte. Niets uit Poezes biografie van Jonker geeft bijvoorbeeld enige indicatie over hoe een door hem als ‘bekwame en rechtzinnige gereformeerde voorganger’ omschreven predikant ertoe kwam om drie soldatenromans te schrijven die vol stonden met oorlogsellende, buitensporig geweld, krachttaal en seksuele uitspattingen met lokale vrouwen.
 
Seksuele moraal
In de andere soldatenromans uit deze periode waaraan Poeze aandacht besteedt, komen veel van dezelfde seksuele thema’s ook terug. Zijn selectiecriteria wat betreft tijdsspanne en auteurs zijn echter onduidelijk. Zo behandelt hij werken vanaf eind jaren 1940 tot de jaren 1970 en van schrijvers met, maar ook zonder enige persoonlijke ervaring met het militaire optreden in Indonesië. Hij citeert bijvoorbeeld uitgebreid uit Ik heb altijd gelijk (1951) van W.F. Hermans, terwijl Hermans nooit als militair in Indonesië is geweest.   
Dat Jonker zijn werk uitgaf onder pseudoniem toont dat hij zijn eigen naam en reputatie niet aan zijn romans durfde te verbinden. Tegelijkertijd wist hij wel zijn oude leidinggevende in Indonesië, hoofdlegerpredikant Koningsberger, te strikken om een voorwoord te schrijven voor Niet iedere soldaat sneuvelt. ‘[N]iet de meest voor de hand liggende kandidaat,’ zo stelt Poeze met gevoel voor understatement, maar zonder nadere uitleg. Koningsberger was in zijn column in het gereformeerde dagblad Trouw in 1946 nog fel van leer getrokken tegen de suggestie dat de militairen zelfs maar uitgingen met lokale meisjes. Nog geen tien jaar later onderschreef Koningsberger echter een visie die haaks daarop stond, waarin buitenechtelijke seks en geslachtsziekten schering en inslag waren bij de uitgezonden Nederlandse militairen. Was de seksuele moraal toch al aan het verschuiven in de jaren 1950? Het feit dat er in geen van de boekrecensies van Sytzens romans aanstoot wordt genomen aan de expliciete erotische beschrijvingen zegt wat dat betreft ook wel iets.
 
Racisme en misogynie
De romans van Jonker en diverse andere soldatenromans kenmerken zich niet alleen door de grote aandacht voor seks, maar ook door het verschil waarmee Nederlandse, Indo-Europese en Indonesische vrouwen geportretteerd worden. Waar de Nederlandse vrouwen en soms ook nog wel de Indische vrouwen een gezicht krijgen en er gelijkwaardige relaties met hen worden aangegaan door diverse personages, zijn de Indonesische vrouwen steevast inwisselbaar en anoniem. Ze zijn in bijna al deze soldatenromans niet meer dan seksuele objecten, bronnen van besmettingsziekten en ze worden en masse neergezet als oversekst. Zo karakteriseert Piet Korthuys, voormalig perschef van de Marine in een roman uit 1954 hen als ‘donkere vrouwtjes die zich zo gemakkelijk gaven, alsof het slechts een bloot natuurlijk paren gold, waarbij geen liefde te pas kwam’.    
Dit racistisch-oriëntalistische en soms zelfs uitgesproken misogyne vrouwbeeld is te plaatsen binnen het conservatieve en (neo)koloniale wereldbeeld van diversen van deze auteurs. Zij kwamen net als Jonker vaak uit confessionele hoek en waren fel tegenstander van het dekolonisatiebeleid van de rooms-rode naoorlogse regeringen. Of ze hadden net als Korthuys binnen het leger of het koloniale systeem gewerkt, waar eveneens weinig sympathie bestond voor de Indonesische aspiraties voor een onafhankelijke staat. Dikwijls gingen deze ideeën samen met paternalistische en racistische opvattingen over de Indonesiërs als onbekwaam en primitief, als een volk dat de Nederlandse leiding nog (lang) niet kon missen.   
Jonker zelf gaf hier duidelijk blijk van in een rede die hij in januari 1950 hield. Hij vermengt hierin oriëntalistische clichés over de Indonesiërs als ‘geheel anders en veelal onbegrijpelijk’ met de misplaatste overtuiging dat ze simpelweg door de Japanners ‘op geniepige wijze opgehitst’ waren tegen de Nederlanders. Dat het grootschalige verzet tegen het koloniale systeem authentiek was en de onvrede van ver voor de Japanse invasie dateerde, kon hij blijkbaar niet bevatten. Eenmaal een onafhankelijke staat geworden, verwachtte Jonker ‘een heksenketel bij deze primitieve en ongedisciplineerde volken en rassen’. Het is dan ook geen verrassing dat in zijn romans veel van dergelijke denkbeelden terug te vinden zijn. Al geeft Jonker ook wel enige kritiek op het Nederlandse vooroorlogse koloniale beleid. Het is teleurstellend dat Poeze verder niets zegt over deze thema’s van oriëntalisme, racisme en misogynie en Jonkers woorden bijna vergoelijkend afdoet als nu eenmaal ‘algemeen levende clichés’.
 
Andere opvattingen
In dezelfde jaren 1950 waren er namelijk wel degelijk ook andere opvattingen in omloop. In de werken van Annie Oosterbroek-Dutschun en Jan Eijkelboom wordt wél een gelijkwaardige interraciale relatie tussen een Nederlandse militair en een Indonesische vrouw geschetst. Het korte verhaal ‘De terugtocht’ (1953) van Eijkelboom, waarin de ik-figuur een kortstondige relatie heeft met de Indonesische Soemiati, is niet alleen moreel-ethisch, maar ook kwalitatief de tegenpool van de platvloerse lectuur van Jonker. Poeze wijdt niet meer dan een alinea aan Eijkelboom en vermeldt niet eens dat deze zelf als militair uitgezonden is geweest. Net als Jonker wist Eijkelboom waar hij het over had. Het toont eens te meer hoe verschillend er tegen de Indonesiërs en tegen Indonesische vrouwen in het bijzonder werd aangekeken door uitgezonden Nederlandse militairen. Dat Poeze met al deze interessante aspecten uiteindelijk bijna niets doet, is een gemiste kans.

Harry Poeze
Dominee Jac. Jonker, Job Sytzen en de soldaat in Indië het leven van Jonker (1904−1973)




Wij tegen zij in Indië
door Esther Wils, uitsluitend online gepubliceerd
 










 

Acteur en fotograaf Thom Hoffman (Wassenaar, 1957) begon in augustus 2015 als ‘cultural professor’ aan de TU Delft; met zijn studenten deed hij onderzoek naar de zwarte zijden van de koloniale geschiedenis, met de bedoeling een nationale beeldbank op te richten voor de fotografie van Nederlands-Indië. Najaar 2019 presenteert hij een fotoboek en een tentoonstelling, voorjaar 2020 een persoonlijk relaas van zijn omslag: van betovering naar desillusie.


Vooropgesteld: Thom Hoffman kan kijken en heeft indrukwekkende foto’s geselecteerd voor zijn boek Een verborgen geschiedenis. Anders kijken naar Indië. En het initiatief om de fotocollecties van verschillende instituten eenvoudiger vindbaar te maken is niet overbodig. Er is al heel veel gedigitaliseerd, en veel instellingen hebben eigen, verfijnde online zoekmogelijkheden; dat geldt bijvoorbeeld voor het NIOD, het NIMH, het Nationaal Archief en het Tropeninstituut, maar de website van Museum Bronbeek is moeilijk te hanteren en de belangrijke collectie van het KITLV is een stuk minder makkelijk bereikbaar geworden sinds die bij de UB Leiden is ondergebracht.
 
Anders?
Toch irriteert het project, en dat komt simpelweg door de claim dat er een verborgen geschiedenis wordt onthuld, dat er foto’s ontdekt worden en dat er nooit op deze manier naar de koloniale tijd is gekeken. Daar is geen sprake van: het boek – en in zijn verlengde ook de tentoonstelling – biedt geen nieuwe informatie. Wel een oppervlakkig en eenzijdig beeld. Hoffman houdt zich al twintig jaar met het onderwerp bezig en verzamelt zelf ook materiaal, maar hij doet daarnaast nog heel veel andere dingen. Zij kennis gaat logischerwijs niet erg diep, wat zichtbaar wordt in zijn literatuuropgave. De agressie van koloniale kant is goed gedocumenteerd – daarom kan Hoffman precieze getallen reproduceren –, maar inmiddels zijn wetenschappers het erover eens dat de dekolonisatieoorlog wat het geweld betreft een dynamiek van wederzijds uitlokken kende: van Indonesische kant werden bestanden geschonden, de strijders liepen lang niet allemaal in het gareel en opperbevelhebber Sudirman had zijn eigen agenda die niet altijd strookte met die van Soekarno. Daar wordt met geen woord over gerept. (Voor wie hieruit wil lezen dat ik een voorstander was geweest van militair 'doorpakken' – de discussie in het Indische verloopt niet altijd even subtiel –: dat is absoluut niet het geval, het gaat mij erom Hoffmans gebrek aan precizie te tonen.)
Hoffman pakt breed uit met foto’s van de Indische NSB-aanhang, ter ondersteping van de verwerpelijke overtuigingen van 'de koloniaal'. Hij vertelt er niet bij dat het overgrote deel van de sympathisanten weer afhaakte toen het racisme van de nazi’s evident werd – en dat de NSB de enige partij was die oog had voor mogelijke dreiging vanuit Japan.
Een aanzienlijk deel van de foto’s is bekend; aan grote fotografen als Woodbury & Page, Van Kinsbergen, Oorthuys, Cartier Bresson zijn eigen boeken gewijd, en er zijn foto’s van anderen gereproduceerd uit boeken die weliswaar oud zijn maar wel in oplage zijn verschenen.
 
Zelfonderzoek
Daar komt nog bij dat de vraag die Hoffman formuleert als de kernvraag van zijn onderzoek: ‘Zijn wij deep down in ons hart nog dezelfde mensen als de mannen die daar in die witte pakken rondliepen over de plantages?’ niet zonder meer op ‘ons’ valt over te brengen. Het omgekeerde is eerder waar: de samenleving is het er al decennia over eens dat het koloniale systeem van ongevraagde dominantie als principe al niet deugde en bovendien vreselijke uitwassen van vernedering, uitbuiting en geweldpleging heeft voortgebracht. Waarom zouden de gruwelijke foto’s van vermoorde Atjehers uit 1900 anno 2019 ‘een beroep’ moeten doen ‘op ons geweten’? Liever niet; we kunnen er niets aan repareren, en belangrijker: wij zijn geen moordenaars. Waarom zouden studenten – alweer twee generaties verder van het drama verwijderd dan Hoffman – rekenschap moeten afleggen van andermans daden? Bovendien wordt de suggestie gewekt dat de kolonie een gesloten bolwerk van gewetenloze, racistische zakkenvullers vormde, misleidend in onschuldig wit gehuld. Een grove simplificatie; ook onder de pakkenmannen waren weldenkende mensen met kritiek op het systeem en respect voor de Indonesiërs.
Het boek lijkt dan ook eigenlijk vooral op een zelfonderzoek. Aanwijzing daarvoor is ook de keuze van de omslagfoto; wat vertelt ons die slanke, tamelijk knappe, misschien wel lichtelijk Indische koloniaal die met scherpe blik in de lens kijkt? Spiegelt hij Hoffman? Waarom niet een foto gekozen van zijn Indische oma, die zich met haar camera tussen de Indonesiërs op de markt begaf en volgens Hoffman originele beelden maakte?
 
Schoonheid
Hoffman betoogt dat er in verschillende periodes een verleidelijk, mythisch Indië werd geschapen in de fotografie. Bij het begin van de fotopraktijk in Indië door de grootheden die de machtige natuur en de exotische, vaak aantrekkelijke bewoners van de archipel fotografeerden, in de jaren zestig door Rob Nieuwenhuys met zijn fotografisch drieluik van foto’s uit de kolonie. Hoffman erkent zelf ook van die fantastische foto’s te genieten; wat maakt dan dat ze toch als fout moeten worden aangemerkt, 'koloniaal-bevestigend', gemaakt om een nare werkelijkheid te verhullen? Ook nu nog staan de bladen vol met reportages van verre streken en het natuurschoon aldaar; Jimmy Nelson met zijn foto’s van de laatste overgebleven stammen maakt wereldwijd furore. Natuurlijk zijn zulke beelden, gezichten en kostuums fascinerend! En het is geweldig dat je die ook zonder te reizen kunt bekijken. Schoonheid moet zo veel mogelijk verspreid en genoten worden – en beschermd, en daar waren de onderzoekers onder de kolonialen zich zeer van bewust. Zo is bijvoorbeeld het legendarische monument de Borobudur uitgegraven en hersteld – en meteen gefotografeerd. Zo kunnen we zien dat het bouwwerk aanvankelijk door bomen werd omringd; het lag verborgen en moest worden herontdekt. Zouden Indonesiërs niet blij zijn dat deze foto’s bestaan?
 












Tempo doeloe

Wat betreft het werk van Rob Nieuwenhuys: je vraagt je af of Hoffman de boeken wel heeft gelezen of alleen de overkoepelende titel kent: ‘Tempo doeloe’. Vooral in het deel Met vreemde ogen, dat speciaal de wereld van de Indonesiërs (en Chinezen) tussen 1860 en 1920 in beeld brengt, komen ook de ‘schaduwzijden’ van de koloniale samenleving in de schijnwerpers te staan. Prostitutie en concubinaat, misstanden in gevangenissen, executies, armoede en barslechte werkomstandigheden worden besproken en in beeld gebracht. Hoffmans helden, de emancipatrice Kartini en de ‘sociaal-fotograaf’ Tillema, komen ook aan de orde – Kartini met een hele reeks unieke foto’s en een lange tekst. Ook de niet-beladen foto’s zijn fascinerend en na meerdere lees- en kijkrondes steeds opnieuw verrassend.
Nieuwenhuys vertaalt tempo doeloe ook niet met 'de goede oude tijd', zoals vaak gebeurt, maar met 'de tijd van vroeger'. Hij heeft geen heimwee naar die specifieke wereld: ‘Ik zou er ondanks alles niet in geleefd willen hebben. De foto’s die in mijn boeken staan hebben daarom in de strikte betekenis van het woord geen nostalgische werking, wel ligt er voor mij een melancholie overheen die tot op het bot gaat, zoals bij alles wat voorbij is, ver weg, vervallen, vervaagd en verdwenen.’ Voor wie meer wil opsteken over die periode zijn de boeken dan ook van harte aanbevolen.
 
Merdeka
Hoffmans boek gaat door tot de onafhankelijkheid. De nationalistische bewegingen, de in elkaar overgaande oorlogen, de onderhandelingen en de souvereiniteitsoverdracht worden in beeld gebracht – waar geen foto’s beschikbaar zijn wordt gebruikgemaakt van tekeningen en propagandamateriaal. 
Het Wereldmuseum in Rotterdam toont behalve de foto’s ook film, en heeft fotograaf Stacii Samidin, van Molukse afkomst, gevraagd onder de titel Merdeka (vrijheid) zijn visie te geven op het koloniale verleden zoals hij dat nog terugvindt in het huidige Indonesië.
Ook filmhuis Lantaren/Venster doet een duit in het zakje en vertoont een programma met films als Oeroeg en het vooroorlogse Rubber, en wijdt daar ook discussie aan.
De geïnteresseerde die zijn ergernis over de toonzetting opzij weet te schuiven, kan aan het rijke materiaal zijn hart ophalen. Maar hij moet niet denken nu de Indische werkelijkheid in zijn vingers te houden. De complexe koloniale geschiedenis hangt nog altijd aan elkaar van de stereotypen, en Hoffmans boek draagt daar eerder aan bij dan dat hij ze doorbreekt. De schuldbeladen blik op de geschiedenis is net zo goed beperkend als de zelfgenoegzaam-koloniale.
 
Een verborgen geschiedenis. Anders kijken naar Nederlands-Indië
Samenstelling en tekst: Thom Hoffman
Uitgeverij WBooks, 2019
 




Geschreven op blaaitjes papier
door Esther Wils, eerder  verschenen op athenaeum.nl



Zoals er voor de Indische letteren al jaren een Damescompartiment bestaat in de vorm van een website, is er nu in boekvorm een enorme bloemlezing verschenen van teksten die werden geschreven door vrouwen in Zuid-Afrika, tussen halfweg de zeventiende eeuw en nu. Aanvankelijk schreven de Afrikaner vrouwen in het Nederlands, maar allengs ontwikkelde zich het Afrikaans, van ‘bastaardtaal’ tot een van de officiële talen van Zuid-Afrika, waarvan ook de schrijvende vrouwen zich bedienden – behalve witte vrouwen in de loop van de tijd ook ‘kleurlingen’ en zwarte vrouwen.
My Mother’s Mother’s Mother. South African Women’s Writing from 17-th Century Dutch to Contemporary Afrikaans biedt een unieke staalkaart van fascinerende hymnen, dagboekfragmenten, verhalen en gedichten en toont tegelijk hoe het Afrikaans over de eeuwen evolueerde.

Pieta & Annemarié
Twee geleerde vrouwen vonden elkaar in een gedeelde belangstelling: de liefde voor vrouwenstemmen in de letteren. Aan het begin van hun gezamenlijke titanenwerkstuk stelt het duo zich voor, en zet daarmee meteen de parameters uit voor de bundel.
De Nederlandse Pieta van Beek stuitte in 1989, tijdens een wandeling in Stellenbosch met de kinderwagen waarin haar twee zoontjes, op een grafsteen die een opmerkelijke tekst droeg:

‘Hier rust in ’t stof des doods mijn teergeliefde spruyten
Aan ’t hart van mynen Echtgenoot
Tot eens ook d’eige serk me met hen sal besluyten
In d’arm die ons natuur ontsloot.
De nacht des grafs klaart op, niet altyd is het donker
Door WEDERZIEN in EEUWIGHEID
De godsdienst is de star wiens helder licht gevlonker
Myn Hoop de hoogste vreugd bereid.’

Hier had rond 1800 een vrouw in het Nederlands afscheid genomen van haar man en kinderen. Die vondst maakte grote indruk op Van Beek en zette haar op het spoor van de teksten van vrouwen, verscholen in archieven en musea, soms ongedocumenteerd. Aanvankelijk waren deze teksten in het Nederlands gesteld en door witte vrouwen geschreven. Vaak hadden ze religieuze thematiek, en/of ze betroffen het harde dagelijks leven, en ook wel reizen of de benarde situatie van de Boeren.
De Zuid-Afrikaanse Annemarié van Niekerk vroeg zich als meisje af waar de vrouwen waren, in de portrettengalerij op haar vaders studeerkamer. Haar moeder liet haar een opname horen van dichteres Ingrid Jonker (Kimberley, 1933 – Kaapstad, 1965), een vrouw aan de andere kant van het spectrum dat de bundel bestrijkt. Jonker schreef moderne, experimentele, in het Afrikaans gestelde poëzie, en had oog voor de racistische misstanden in Zuid-Afrika. In My Mother’s Mother’s Mother, dat trouw aan de titel veel teksten bevat over moeders en kinderen, wordt zij o.a. gepresenteerd met een gedicht voor haar dochter:

Begin somer
(vir Simone)

Begin somer en die see
’n oopgebreekte kweper
die lug soos ’n kind
se ballon
ver bo die water
Onder die sambrele
soos gestreepte lekkergoed
miere van mense
en die gul lag van die baai 
het goue tande 
Kind met die geel emmertjie
en die vergete vlegsel 
jou mond is sekerlik ’n klokkie 
kleintongetjie klepeltjie
Jy bespeel die son daglank
soos ’n ukulele

(Uit: Rook en oker)

Meertalig
In hun lange, informatieve en bij alle complexiteit glasheldere introductie zetten de twee gedreven onderzoeksters de geschiedenis uiteen van de positie van hun schrijfsters en die van het Afrikaans. Er was voor de schrijflustige vrouwen lange tijd geen traditie om bij aan te sluiten; het enige wat zijzelf lazen was de Bijbel en aanverwante teksten. In hun taal stonden zij vanwege hun dagelijkse contacten – vooral met personeel – relatief dicht bij de zwarte mensen en de ‘kleurlingen’ of ‘bruine’ mensen, zoals ze in dit boek ook worden genoemd, waardoor de mengtaal Afrikaans er makkelijker vat op kreeg. Die taal splitste zich steeds sterker in een ‘blanke’ en een Khoi-variant; in de laatste was de invloed van de taal van de plaatselijke bevolkingsgroep de Khoikhoi duidelijk te onderscheiden. De eerste werd door zijn gebruikers tot de enige, zuivere cultuurtaal uitgeroepen, maar het Afrikaans heeft de roerige politieke geschiedenis van Zuid-Afrika ongetwijfeld tot op heden overleefd omdat het ook door grote groepen zwarte en bruine mensen werd gesproken, naast het door de Britten geïntroduceerde Engels en de negen inheemse talen.
De samenstelsters hebben alle gekozen fragmenten in zo letterlijk mogelijk Engels laten vertalen opdat ook de rest van de wereld kan kennismaken met de niet of nauwelijks bekende teksten. Alleen het latere werk kreeg soms een vrijere vertaling, als die al bestond of door de schrijfster zelf was gemaakt. Als Nederlanders genieten we het grote voordeel om het Afrikaans goed te kunnen volgen; een lust voor de liefhebber en een mooie bron voor de onderzoeker.

Dubbellevens
Meer dan zeventig schrijfsters krijgen het woord, ieder (op de anonimi na, natuurlijk) geïntroduceerd met een boeiende biografische schets. Een werkelijk literaire praktijk ontstond pas in de loop van de twintigste eeuw, toen uitgevers vrouwenliteratuur in het Afrikaans gingen uitgeven; we kennen naast Jonker namen als die van Wilma Stockenström, Antjie Krog, Marlene van Niekerk en Ronelda Kamfer. Voor de vroegere periode is geen strenge literaire maatstaf aangehouden, schrijven Van Beek en Van Niekerk, aangezien de teksten ook als onpretentieuze schrijfsels al zeldzaam zijn en bovendien hun eigen zeggingskracht hebben.
Inderdaad: wie zoals ondergetekende denkt dat religieus geïnspireerde verzuchtingen van huisvrouwen wel saai zullen zijn, wordt verrast. De dagboeknotities van Susanna Smit (Olifantsfontein, 1799 –Pietermaritzburg, 1863) bijvoorbeeld, op ‘blaaitjes papier’, zijn krachtig en ontroerend, zeker als je bedenkt dat ze in gestolen uren voor of na de lange werkdag zijn geschreven aan de keukentafel. Susanna was op haar dertiende al uitgehuwelijkt aan predikant Erasmus Smit, die nukkig en drankzuchtig bleek. Geen wonder dat – bij het sterke gemis van haar moeder, ook prachtig beschreven – de conversatie met God belangrijk voor haar was; het liefst was zij een man geweest om Zijn woord bij de ‘kaffers’ te kunnen verspreiden. Ze was vast een succesvol zendeling geworden; haar woorden zijn direct en haar beelden aansprekend:

‘[Woensdag Avond 1 juli 1846] In den loop van dezen dag, was myn arme hart weder bezwaard door tijdelijke zorgen, toen omstreeks twaalf uren des middags een arme onschuldige hoender Hen in huis kwam, dat onschuldig dier stond voor mij en keek my aan, als of ze tot mij zeide: ik zorgt niet, en heeft toch geen gebrek, terstond dacht ik ja toch hoe warm is zij in haren fedren mantel gehuld, en hoe vet en gezond, En ik die een veel edler en hooger schepzel Gods ben dan zij, zal mijn schepper mij dan ook niet verzorgen? te meer daar Gods zoon mij een aanspraak op den Vaders- zorge van myn schepper verworven heeft. Zal God dan de gekochten door het bloed van zyne lieven Zoon, tot een armoede verwyzen, waar ze hulpeloos in omkomen? Zeker niet, Jezus vermaning Matth. 6 kwam mij in de gedachten, En ik ben tot nu toe getroost, De Heere hoop ik, zal mij weder vroeg wekken tot Zijn lof.’

Je ziet Susanna voor je, oog in oog met de vette hen die haar huis is binnengestapt. Haar taalgebruik toont kenmerken van het gesproken Afrikaans (hier de incongruentie tussen onderwerp en werkwoord) maar staat nog dicht bij het Nederlands – haar man was een native speaker.

Een ander ik
Anderhalve eeuw na Susanna schrijft E.K.M. Dido (Tsomo, 1951), de eerste ‘kleurlinge’ die een boek publiceerde in het Afrikaans, even simpel en sfeervol over de ruwe omstandigheden van het Kaapse zwerversbestaan. Dido groeide tweetalig op in een gemengde gemeenschap, sprak Xhosa en Afrikaans, maar moest onder invloed van de segregatiewetten in de jaren zestig en later meermaals verkassen. Van Beek en Van Niekerk merken op – en dit lijkt mij een sleutelzin om de Zuid-Afrikaanse situatie goed te beoordelen –: ‘Dido’s rather intriguing situation – writing in the “language of the oppressor” (which is also her own mother tongue) but writing against oppression (both racial and gender oppression) – exemplifies the oversimplification of the assumption that there is a clear correspondence between certain cultural/language groups and certain political positions.’
De samenstellers hebben alles in het werk gesteld om de subtiliteiten van de grote geschiedenis, de schuivende identiteiten én de individuele levens recht te doen. En ze hebben een schatkamer aan indrukwekkende, vaak pijnlijke maar even vaak sprankelende teksten bijeengebracht. Dido krijgt het laatste woord:

‘Die naglug is koel. Die volmaan hang soos ’n groot blouvaal bal in die hemelruim. Ver onderkant my flikker die stad se derduisende geel, wit, rooi en groen liggies so ver as die oog kan sien. Verder weg is daar ’n enorme poel donkerte wat net deur een kolletjie liggies onderbreek word. Die see, het Brainy my vroeër meegedeel. Daar doer lê Robbeneiland, daar waar die liggies nou so flou skyn, het hy vroeër gesê.
Ons is teen ’n heuwel. Ver onderkant my sien ek af en toe hoe ligte in groot dubbelverdiepinghuise afgaan. Ek beny die mense wat nou snoesig tussen hulle vier mure aan die slaap sal raak.’
(Uit: ’n Ander ek, 2007)

My Mother's Mother's Mother. South African Women’s Writing from 17-th Century Dutch to Contemporary Afrikaans
samenstelling Pieta van Beek en Annemarië van Niekerk
Leiden University Press, 2019